Je moet rechts houden  
Je moet je hand uitsteken als je afslaat  
Je mag niemand doden  
Je moet voor elkaar zorgen  
Je moet op tijd op school zijn  
In de kerk mag je niet praten  
Je mag niet fietsen op de stoep  
Je moet twee maal per dag je tanden poetsen  
Je moet voor en na de winter je fiets schoonmaken  
Je mag niet stelen  
Je mag niet schreeuwen  
Je mag geen ruzie maken  
Je moet elke ochtend je haar kammen  
Je moet er netjes uitzien  
Je mag geen belletje trekken  
Je mag niet klikken  
Je moet stil zitten in de klas  
Je moet met twee woorden spreken  
Bij het eten hoort je hand naast het bord  
Op zondag moet je nette kleren aan  
Een jarige geef je een cadeautje  
Je moet je best doen op school  
Je mag niet nagels bijten of duimzuigen  
Iemand die arm is moet je geld geven  
Je moet altijd delen met anderen  
Als je veel hebt moet je delen met anderen  
Als je niest moet je je hand voor je mond houden  
Als je gaapt moet je je hand voor je mond houden  
Tegen grote mensen hoor je u te zeggen  
Blinden moet je voor laten gaan  
Je mag je niet vuil maken bij het spelen  
Bij het eten moet je bidden  
Je moet elke zondag naar de kerk  
Je mag niet te laat naar bed  
Je mag niet zomaar beginnen te vechten  
Als je ruzie hebt moet je weer goed maken  
Als je iets verkeerd gedaan hebt moet je zeggen dat het je spijt  
Als iemand jarig is moet je hem een kaartje sturen  
Je moet in God geloven  
Je moet goed op jezelf passen  
Je mag niet stelen  
In een winkel moet je altijd betalen